Als consumenten van het nieuws worden we dagelijks geconfronteerd met honderden nieuwsfoto’s. Wekelijks selecteert de redactie van Shutr.Photo een beeld dat tot de verbeelding spreekt, of op een andere manier indrukwekkend of relevant is.

Olievelden branden in Al Qayyarah, ten zuiden van Mosul in Irak © Chris McGrath / Getty
9 november: olievelden branden in Al Qayyarah, ten zuiden van Mosul in Irak © Chris McGrath / Getty

Het Iraakse leger (peshmerga), ondersteund door de westerse coalitie in Irak, dringt steeds verder door in het oosten van de stad Mosul. De stad wordt gezien als het laatste bolwerk van terreurorganisatie Islamitische Staat (IS). Echter, hoe meer vooruitgang het leger boekt, hoe meer obstakels ze tegenkomt.

Al sinds halverwege oktober, toen de grote aanval op Mosul begon, steekt IS olievelden rond de stad in brand om zo het oprukkende leger te vertragen. Vrij Nederland schrijft dat de groepering mogelijk vele tonnen zwavel naar de stad heeft verplaatst om vijanden en burgers uit te roken. Eerder staken de strijders al een zwavelfabriek in brand, wat in een grote regio tot gezondheidsproblemen leidde.

Saddam Hoessein
IS heeft zich laten inspireren door voormalige dictator Saddam Hoessein, die een vergelijkbare tactiek toepaste tijdens de invasie van Irak in 2003. Door greppels te graven, deze te vullen met olie en het vervolgens in brand te steken, laten de terugtrekkende strijders gevaarlijke, giftige obstakels achter die geblust moeten worden. Dit kost veel tijd en de dikke, zwarte rookwolken maken het voor de Amerikaanse luchtmacht bovendien lastig om hun doelwitten te vinden.

Natuurlijk zijn de burgers, net als onder het juk van Hoessein, het grote slachtoffer van de tactiek van IS. Families die hun bevrijde dorp weer in kunnen, treffen het aan onder een dikke laag roet. Ook zorgt de rook voor veel gezondheidsproblemen en zal het nog lang duren voordat er weer een normale gang van zaken is in de regio, ook wanneer de Iraakse troepen erin slagen om IS volledig te verdrijven uit Mosul.

Meer foto’s zijn te zien bij The Atlantic.