Afgelopen dinsdag was De Balie in Amsterdam het toneel voor Photojournalism Today: From the Warzone to the World Press Photo, een avond vol discussie over de huidige staat van de fotojournalistiek. Guido van Nispen, directeur van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), opende de avond en benadrukte de verantwoordelijkheid van fotojournalisten om de waarheid te blijven tonen. Zelfs in tijden waarin termen als waarheid en authenticiteit continu onder vuur liggen en in twijfel getrokken worden. Onderwerpen van discussie waren het bewaren van authenticiteit in het digitale tijdperk, de manier waarop foto’s in het nieuws komen en de grens tussen fotojournalistiek als kunst en als nieuwsbron. Helaas lukte het de interessante sprekers niet om de inmiddels klassieke vraagstukken van meer diepte te voorzien.

Bulent Kilich en Odd Andersen

Bulent Kilich aan het woord © Thomas Kouveld
Bulent Kilich aan het woord © Thomas Kouveld

Twee fotografen van het Agence France Presse (AFP) trapten de avond af met een presentatie van hun werk. De eerste van de twee, de Turkse Bulent Kilich, begon zijn presentatie met een verontschuldiging. Het gebeurde hem nou altijd in Nederland dat hij wordt volgegoten met alcohol en vervolgens een praatje moet houden, zei hij. Dat leek geen grapje te zijn: de fotograaf keek nogal loom uit zijn ogen en ging in sneltreinvaart door zijn foto’s. Een aantal beelden kregen niet meer begeleiding dan “Dit heb ik ook gemaakt”. Hij leek blij te zijn toen hij eindelijk weer kon gaan zitten.

Zonde, want Kilich maakt krachtige, diep indringende foto’s van de situaties aan het front. In 2014 werd hij nog verkozen tot Best Wire Photographer door TIME. Het magazine laat een foto van een luchtaanval op IS-strijders zien. Over dezelfde foto zei Kilich in De Balie: “Doet het je iets wanneer die gasten van IS doodgaan? Wees maar eerlijk, dat doet je niets. Het doet mij ook niets. Die vent is opgeblazen. Daar ben ik blij om.”

AFP-fotograaf Odd Andersen © Thomas Kouveld
AFP-fotograaf Odd Andersen © Thomas Kouveld

De Noorse fotograaf Odd Andersen pakte het iets serieuzer aan. Hij was recentelijk nog aanwezig bij de aanval van het Iraakse leger in Mosul, de laatste grote stad in handen van Islamitische Staat (IS). Zijn indrukwekkende foto’s laten zien hoe het leger huis voor huis de wijken doorgaat, hier en daar leden van IS arresterend. Het was zijn eerste aanvaring met de tactieken van de terroristische organisatie en hij merkte op dat het statische beeld vaak niet in staat is om de hectische, met adrenaline doordrenkte werkelijkheid weer te geven.

‘Laten we het niet over Robert Capa hebben’

Een hoogtepuntje in de daaropvolgende tafeldiscussie was toen Hans Maarten van den Brink, die de avond begeleidde, de woorden van Robert Capa probeerde aan te halen. Hij werd onmiddellijk afgekapt door Kilich: “Laten we het niet over Robert Capa hebben”, zei de fotograaf. Het ging Van den Brink natuurlijk om de fameuze les dat wanneer je foto’s niet goed genoeg zijn, je niet dichtbij genoeg bent. Kilich grinnikte even en verontschuldigde zich voor zijn botheid, maar nuanceerde zich door uit te leggen dat die strategie je je leven gaat kosten in een oorlog. Je neemt steeds meer risico in een conflictsituatie, legde hij uit, al kon hij niet duidelijk maken waarom. Je leeft mee met de mensen die je tegenkomt en wordt onderdeel van de situatie, aldus de fotograaf.

Vervolgens sprak het trio over de invloed van internet en sociale media op hun werkwijze. Beide fotografen gaven aan de druk wel te voelen, maar ervaren het als een positief aspect. Het is alsof iedereen continu meekijkt en de fotograaf controleert. “Het houdt ons eerlijk”, zei Andersen. Daarnaast vindt hij dat ook de consumenten van het nieuws een eigen verantwoordelijkheid hebben om kritisch te blijven over de beelden die ze zien. Hij zei dit als antwoord op de vraag of het de fotografen iets doet wanneer een van hun beelden onjuist wordt ingezet. Over de fotokeuze van de krantenredactie en de duiding die eraan wordt gegeven heeft zowel de fotograaf als de lezer immers weinig invloed. Kilich was er kort over: “Wat maakt het uit wat de media denken?”

vlnr: Hans Maarten van den Brink, Bulen Kilich en Odd Andersen © Thomas Kouveld
vlnr: Hans Maarten van den Brink, Bulen Kilich en Odd Andersen © Thomas Kouveld

‘Het draait om vertrouwen’

De rest van de avond werd gevuld met een paneldiscussie met een interessant gezelschap. Francis Kohn (directeur fotografie bij AFP), Lars Boering (directeur World Press Photo), Mirjam Kooiman (curator FOAM) en Clive Marshall (chief exective UK Press Association) schoven aan. De eerste vraag ging over de subjectiviteit van fotografie en of dit problemen oplevert in het geval van nieuwsfotografie. Eigenlijk waren alle aanwezigen het erover eens dat een nieuwsfoto niet per se mooi hoeft te zijn, maar dat een goede fotograaf altijd probeert de beste foto te maken. Al snel ging de discussie over esthetiek. Is een subjectieve foto in staat om een nieuwsfeit over te brengen? Volgens Boering is het simpel: “Er is geen waarheid in fotografie, het draait om vertrouwen.”

Tot slot werd de markt voor fotografie besproken. Is er nog wel werk en kunnen fotografen nog wel geld verdienen met hun foto’s? Fotograaf Andersen liet eerder op de avond vallen dat hij zich geen zorgen maakte. Hun foto’s zullen altijd beter zijn dan die van amateurs. De verschillende directeuren keken er iets genuanceerder naar. Marshall stelde dat de dagen van de middelmatige fotografie voorbij zijn. “Je komt niet meer weg met saaie foto’s. Beelden trekken de aandacht en die moeten interactie bieden met het verhaal. Daarnaast moeten ze zo snel mogelijk beschikbaar zijn. We hebben geen tijd meer om uren aan nabewerking te spenderen.”

vlnr: Hans Maarten van den Brink, Mirjam Kooiman, Lars Boering, Francis Kouhn en Clive Marshall © Thomas Kouveld
vlnr: Hans Maarten van den Brink, Mirjam Kooiman, Lars Boering, Francis Kohn en Clive Marshall © Thomas Kouveld

Kohn voegde daaraan toe dat foto’s alsmaar goedkoper worden. Op een rustige dag verkoopt het AFP zo’n drieduizend foto’s en draait dan quitte. Winst maakt het persbureau nauwelijks, zelfs met de Franse overheid als grootste afnemer. Dat zorgde voor een discussie over overheidssteun voor persbureaus. Boering vond dat de persbureaus wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken, maar dat hun onafhankelijkheid altijd gewaarborgd moet zijn. Zowel Kooiman als Marshall vonden het de verantwoordelijkheid van de bureaus om zich aan te passen aan veranderende tijden. Bovendien zou een subsidie voor persbureaus niet goed vallen bij de burger, aldus Kohn.

Conclusie

Al met al is het duidelijk dat het erg moeilijk is om tot nieuwe inzichten te komen in de vraagstukken die boven de fotojournalistiek hangen. Hoewel er interessante gesprekken werden gevoerd in De Balie, konden de aanwezige sprekers niet veel verder komen dan clichés en conclusies van zoveel voorgaande discussies.